Geschiedenis

Dat er ook in ons café voornamelijk bierdrinkers komen is een vaststaand feit. En dat die bierdrinkers zich doorgaans niet druk maken over de ontstaansgeschiedenis van het bier is op zich niet zo vreemd. Toch kan het aardig zijn om over datgene dat je regelmatig tot je neemt iets meer te weten. Het leek ons dan ook leuk om hier iets over te publiceren. De biercultuur vindt zijn oorsprong in het oude Mesopotamië, het Tweestromenland tussen Eufraat en Trigis. Daar werd omstreeks 6.000 v C. een stenen plaat gevonden met primitieve afbeeldingen van een brouwproces. Het volgende spoor van de eerste bierbereidingen voert naar Babylon, waar Koning Hammurabi 2000 jaar voor onze jaartelling bepalingen opstelde met betrekking tot het brouwen en het schenken van bier. Het bier vond zijn weg van Babylon naar Egypte, waar de farao's zelf het brouwen onder de knie hadden. Uit de tijd van Ramses III stammen bierbekers die de Beierse bierkruiken ver overtreffen: ze hadden een inhoud van maar liefst 3,5 liter! Aangenomen wordt dat het bier in die tijd een veel lager alcoholgehalte had dan het bier dat wij vandaag de dag drinken. Bier werd toen trouwens ook gebruikt als offer om de goden gunstig te stemmen. Bier brouwen was in het Oude Egypte reeds aan zeer strenge regels gebonden. Een brouwer die bier van slechte kwaliteit durfde afleveren, riskeerde in zijn eigen gerstenat verdronken te worden (er zijn natuurlijk ergere manieren te bedenken om aan je einde te komen). Zowel in Babylonië als in Egypte kende men verschillende soorten bier. Om de drank een bepaalde smaak te geven, werden allerlei planten en kruiden toegevoegd. Ook vandaag nog experimenteren brouwers met kruiden.
De etymologie van bier is onzeker. Twee woorden worden er mee in verband gebracht: bibere en cervisia. Bibere is Latijn en betekent drinken.De uitleg lijkt simpel, maar is totnogtoe de enige waarschijnlijke. Cervisia lijkt sterk op cerveza, het Spaanse woord voor bier. Cerivisia zou zijn afgeleid van Ceres, de Romeinse godin voor de landbouw. Bier wordt in dit geval als een landbouwproduct beschouwt. Dat de Lage Landen een uitgelezen biercultuur hebben, weerspiegelt zich ook in het taal- en spraakgebruik. We kunnen "leven in de brouwerij brengen", "vechten tegen de bierkaai" of een zaak "geen klein bier vinden". Oude 'jonge dochters' worden soms "een zuur vaatje bier" genoemd en over koppige luidruchtige jongeren zegt men wel eens "jong bier moet nog gisten". Het bovengenoemde "vechten tegen de bierkaai" heeft te maken met de Bierkaai, een buurt in Amsterdam bij de Oude Kerk. De bewoners van de Bierkaai waren in vroegere tijden ruw en vechtlustig. Als je in de buurt van de Bierkaai kwam, kon je maar beter een eindje omlopen. "Vechten tegen de bierkaai" betekent dan ook: bij voorbaat een verloren strijd aangaan.

In de middeleeuwen, waren het vooral de monniken die brouwden, om in hun levensonderhoud te voorzien. Verder was in die tijd het drinkwater van slechte kwaliteit en men ontdekte dat het drinken van bier gezonder was. Dat dit vooral door het koken van bier kwam, wist men toen nog niet. In die tijd gebruikte men nog geen hop als conserveringsmiddel en/of smaakmaker, maar gruit. Gruit is een kruidenmengsel met vooral gagel en rozemarijn. Bier was vroeger een populaire drank, want dit was veiliger te drinken dan het aanwezige water, totdat het drinken van bier in de loop van de 18e eeuw wat minder in zwang raakte. Dit kwam door de opkomst van koffie en thee. In 1788 vindt Richardson de sacharimeter uit, een toestel voor het bepalen van het suikergehalte in vloeistoffen. Ook het soort bier dat men brouwde veranderde, eerst was het altijd bovengistend bier dat er werd gemaakt, maar in de 19e eeuw ging men vooral ondergistend bier, pils, maken. In de 20e eeuw zien we een enorme vervlakking optreden, als gevolg van de twee wereldoorlogen. Tegelijkertijd zorgde de economische recessie voor een sterke daling van de koopkracht. Het gevolg was, dat zowel het aantal soorten bier als het aantal brouwerijen sterk afnam. In 1945 waren er in Nederland van de 148 brouwerijen nog maar 83 over. In de naoorlogse periode krabbelde de brouwindustrie langzaam uit het dal. Kenmerkend hiervoor waren de horizontale concentraties: veel brouwerijen produceerden naast bier ook mineraalwater en limonades. Tevens bundelden een aantal brouwerijen hun krachten. De opleving was echter maar van korte duur. In 1980 stond de Nederlandse biercultuur op een dieptepunt en waren er nog slechts 19 brouwerijen (waarvan verscheidene in dezelfde handen) die tezamen een zestigtal bieren brouwden. Het positieve keerpunt in de Nederlandse biercultuur ontstond doordat de speciaalbieren aan hun opmars begonnen. In het begin ging dat nog erg traag, maar al snel prikkelde het succes van de één, de navolging van de ander. De gevestigde brouwers breidden hun assortiment uit en amateurbrouwers besloten van hun hobby hun beroep te maken. De opkomst van deze kleine brouwerijen heeft geleid tot een grote versterking van de Nederlandse biermarkt. Inmiddels is het aantal Nederlandse brouwerijen weer gestegen tot ruim 60. Bovendien staan er nog vele brouwerijen en uitbreidingen op stapel wegens de toegenomen vraag.

[wp-portfolio groups="10"]

Geef een reactie